woensdag 6 november 2013

Verwerkingsopdracht 2

Literatuuropdracht 2

Zowel een verhaal met een auctoriale vertelinstantie en een ik-vertelinstantie vind ik erg prettig om te lezen. Toch heeft de auctoriale vertelinstantie mijn voorkeur. Deze heeft mijn voorkeur om de volgende redenen.

In tegenstelling tot de gedachten van Lucia, weet je bij De Schilder en het meisje niet exact wat het meisje denkt. Hierdoor ontstaan er bepaalde vragen en open plekken. Ik vind het interessant om zelf te bedenken wat een personage gedacht zal hebben. Soms doen personages in een verhaal iets ongewoons of onverwachts en bij de ik-vertelinstantie weet je direct waarom het personage dat doet. Maar bij de auctoriale vertelinstanties kun je vaker zelf de puzzelstukjes in elkaar passen.

Ook vind ik het vlotter lezen met een auctoriale instantie, omdat het veelzijdiger is en je bij een ik-instantie het heel de tijd “ik, ik, ik” is. Daar kan ik me soms aan ergeren.
Ik vergelijk de volgende fragmenten uit De schilder en het meisje en Een schitterend gebrek.

In die eerste fractie van een seconde zag ze absoluut niet waar ze was. Wie dagenlang binnen heeft gezeten, in het donker en halfdonker, weet zich geen raad met de plotselinge buitenlucht, de zon die neervalt op een plein en op een enorme zwerm knalwitte meeuwen die het licht op hun vleugels weer meenemen tot boven de huizen. De menigte zag dat ze haar ogen samenkneep.

Binnen zeven weken raakte ik door de opbrengst heen en vond ik de weg naar het pandhuis. Ik liet er de hanger achter die mijn grootvader voor mij had gemaakt, het spiegeltje met de ogen van een heilige. Het bedrag dat ik in ruil daarvoor ontving was veel te laag en de termijn die mij gegeven werd maar kort. Ik hield echter moed, kuste het lieve aandenken nog eenmaal en zwoer dat ik het mij niet zou laten ontglippen.

In het eerste fragment kun je de veelzijdigheid van een auctoriale vertelinstantie zien. In een kort fragment zie je de ervaring van het meisje, commentaar van de verteller en de ervaring van de menigte. In het tweede fragment komt wel zes keer het woord “ik” en drie keer het woord “mij”.

Ten slotte vind ik dat je bij een ik-vertelinstantie teveel wordt beïnvloed door de gedachten van de ik-persoon. De ik-vertelinstantie is niet betrouwbaar. De ik-persoon kan zich vergissen, liegen, dingen verzwijgen of alles alleen vanuit eigen perspectief bekijken.


De auctoriale vertelinstantie heeft dus mijn voorkeur, omdat je zelf gedachten kunt invullen en omdat het veelzijdiger en betrouwbaarder is dan de ik-vertelinstantie.