Literatuuropdracht 2
Zowel een verhaal met een auctoriale vertelinstantie en een
ik-vertelinstantie vind ik erg prettig om te lezen. Toch heeft de auctoriale
vertelinstantie mijn voorkeur. Deze heeft mijn voorkeur om de volgende redenen.
In tegenstelling tot de gedachten van Lucia, weet je bij De Schilder en het meisje niet exact wat
het meisje denkt. Hierdoor ontstaan er bepaalde vragen en open plekken. Ik
vind het interessant om zelf te bedenken wat een personage gedacht zal hebben.
Soms doen personages in een verhaal iets ongewoons of onverwachts en bij de
ik-vertelinstantie weet je direct waarom het personage dat doet. Maar bij de
auctoriale vertelinstanties kun je vaker zelf de puzzelstukjes in elkaar
passen.
Ook vind ik het vlotter lezen met een auctoriale instantie,
omdat het veelzijdiger is en je bij een ik-instantie het heel de tijd “ik, ik,
ik” is. Daar kan ik me soms aan ergeren.
Ik vergelijk de volgende fragmenten uit De schilder en het meisje en Een
schitterend gebrek.
In die eerste fractie van een seconde zag ze
absoluut niet waar ze was. Wie dagenlang binnen heeft gezeten, in het donker en
halfdonker, weet zich geen raad met de plotselinge buitenlucht, de zon die
neervalt op een plein en op een enorme zwerm knalwitte meeuwen die het licht op
hun vleugels weer meenemen tot boven de huizen. De menigte zag dat ze haar ogen
samenkneep.
Binnen zeven weken
raakte ik door de opbrengst heen en vond ik de weg naar het pandhuis. Ik liet
er de hanger achter die mijn grootvader voor mij had gemaakt, het spiegeltje
met de ogen van een heilige. Het bedrag dat ik in ruil daarvoor ontving was
veel te laag en de termijn die mij gegeven werd maar kort. Ik hield echter
moed, kuste het lieve aandenken nog eenmaal en zwoer dat ik het mij niet zou
laten ontglippen.
In het eerste fragment kun je de veelzijdigheid van een auctoriale
vertelinstantie zien. In een kort fragment zie je de ervaring van het meisje,
commentaar van de verteller en de ervaring van de menigte. In het tweede
fragment komt wel zes keer het woord “ik” en drie keer het woord “mij”.
Ten slotte vind ik dat je bij een ik-vertelinstantie teveel
wordt beïnvloed door de gedachten van de ik-persoon. De ik-vertelinstantie is
niet betrouwbaar. De ik-persoon kan zich vergissen, liegen, dingen verzwijgen
of alles alleen vanuit eigen perspectief bekijken.
De auctoriale vertelinstantie heeft dus mijn voorkeur, omdat je
zelf gedachten kunt invullen en omdat het veelzijdiger en betrouwbaarder is dan
de ik-vertelinstantie.









